Bodemvervuiling

De wetgeving betreffende de bodemsanering vindt u terug op de website van Ovam.

Via het bodemattest wil de wetgever een bescherming bieden tegen mogelijke bodemverontreiniging en vermijden dat een grond waar een risico aan vastzit, overgedragen wordt aan een persoon die het slachtoffer dreigt te worden van zijn eigen onwetendheid met betrekking tot de toestand van die grond.

De inhoud van het bodemattest moet opgenomen worden in de onderhandse akte en alle akten betreffende de overdracht van een perceel. Het bodemattest dient te worden aangevraagd met het vereiste aanvraagformulier.

Bij de overdracht van gronden, waarop een inrichting gevestigd is of was, of waar een activiteit wordt of werd uitgevoerd die opgenomen is op de lijst van activiteiten en inrichtingen die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken, is slechts mogelijk nadat een bodemonderzoek werd uitgevoerd. Dergelijk oriënterend onderzoek moet worden uitgevoerd door een erkend bodemsaneringsdeskundige. De resultaten van dit onderzoek kan aanduiden dat er vervuiling is opgetreden en de bodem mogelijk moet worden gesaneerd.

Grondverzet

Om de verspreiding van bodemverontreiniging door het gebruik van uitgegraven bodem te beheersen heeft de Vlaamse regering regels rond grondverzet opgesteld. De regeling staat beschreven in hoofdstuk 10 van het Vlarebo. De regelgeving van het grondverzet legt vast hoe je met uitgegraven bodem moet omgaan, vertrekkende op de plaats van ontgraving, over het transport tot en met de eindbestemming van de bodem. Op die manier kan de herkomst van een uitgegraven bodem steeds achterhalen, ongeacht de bestemming.

De regelgeving van het grondverzet is voor iedereen van kracht. Wanneer het gaat om een klein volume uitgegraven bodem (minder dan 250 m³), moet je enkel in uitzonderingsgevallen een onderzoek laten uitvoeren. Bij grotere werken, waarbij het grondverzet meer dan 250 m³ bedraagt, is een onderzoek naar de kwaliteit van de uit te graven bodem altijd verplicht.

Stookolietanks

De opslag van brandstoffen zijn opgenomen in het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (VLAREM). De bepalingen betreffende de particuliere stookolietanks met een inhoud kleiner dan 5.000 liter zijn opgenomen in hoofdstuk 6.5 van Titel II van het Vlarem.

Naast verschillende technische voorschriften inzake de bouw van de installaties en het plaatsen van de tank; voert Vlarem II een verplichte (periodieke) controle en onderhoud in voor alle opslaginstallaties. Deze preventieve controles door erkende technici hebben tot doel tijdig mogelijke verontreiniging van bodem en grondwater door stookolie op te sporen. Vlarem II voorziet tevens in een meldingsplicht.

Een opslaginstallatie die definitief buiten gebruik wordt gesteld, moet worden geledigd en volledig worden verwijderd. Bij onmogelijkheid om de installatie te verwijderen, wordt de houder gevuld met zand, schuim of enig ander inert materiaal.

Opslagtanks met een grotere inhoud dan 5000 liter kunnen ofwel melidingplichtig of vergunningsplichtig zijn.

Bijkomende inlichtingen vindt u tevens bij Informazout .